Verslag Seminar Talentontwikkeling Circomundo

Circomundo behartigt belangen van jeugdcircussen in Nederland.

Talentontwikkeling

Verslag Seminar Talentontwikkeling Circomundo

0

Op 7 mei jl. organiseerde Circomundo een werkbijeenkomst van jeugdcircussen, de circusfestivals en de beide Hbo-circusopleidingen. Verzoek aan het gezelschap was te verkennen hoe partijen elkaar kunnen ondersteunen. Het circus ontwikkelt zich gestaag in Nederland en in de woorden van Marc Jonker (artistiek directeur van Rotterdam Circus Arts): als je iets wilt ontwikkelen, moet dat op allerlei ‘fronten’ min of meer tegelijk gebeuren. We hoeven het wiel niet uit te vinden: dat is er al.

Goed voorbeeld – het wiel van de dans
Zo is de danswereld nog maar vijftig jaar geleden met een zelfde ontwikkeling gestart. Nederland is nu internationaal bekend om de kwaliteit en innovatieve kracht van opleidingen en gezelschappen. Te gast bij de bijeenkomst is Ciska van Dijk. Zij vertelt over de geschiedenis van de Nederlandse dans zoals zij die ook zelf heeft meegemaakt en het ontstaan van o.a. vooropleidingen voor dansacademies, o.a. als directeur bij de Rotterdamse Dansacademie (Codarts Hogeschool voor de Kunsten). Haar verhaal is die van de hobbelige weg van ontwikkeling waarin zowel toeval, ingrepen bijvoorbeeld de overheid en als gericht aan de weg timmeren een rol spelen.

Historie – zo snel of zo langzaam?
Tot vlak na de Tweede Wereldoorlog was in Nederland vooral de dansvorm ballet in beeld. Gaandeweg kwamen ook andere vormen van dans de grens over. De belangstelling voor dans en dansvormen nam toe. Net als bij circus moet je bij dans als je goed wilt worden heel jong beginnen. Om talentvolle kinderen de kans te geven zich te ontwikkelen startte in Den Haag (1960) en Rotterdam (1965) een vooropleiding voor ballet.

Door de in 1986 in werking tredende Wet op het Hoger Beroepsonderwijs (WHB), ontstonden de ons inmiddels bekende grotere en meer autonome hogescholen; het Haags Conservatorium en de Rotterdamse Dansacademie vielen daar ook onder. Het niveau van de vooropleidingen – eerst ulo/mavo-niveau- werd nu naar havo verlegd.

Van 1987 tot 1990 waren door heel Nederland vooropleidingen, verbonden aan de hogescholen, maar dus niet ín de Hogeschool zelf. Naar verloop van tijd bleek dat er te weinig talent doorstroomde, en werden de spreiding stopgezet en teruggebracht naar de locaties van de hogescholen in Den Haag en Rotterdam.
Door opkomst van het vak CKV (1993) op middelbare scholen kon er steeds meer dans worden aangeboden op middelbare scholen en werd het belang van vooropleiding onderschat.  In 1980 verscheen het rapport ‘Ballet – Wat, waarom en hoe’, een uitgebreid en vakkundig overzicht van de ontwikkelingen en bijbehorende aanbevelingen over hoe jong talent zich het beste ontwikkelt. Alles uit dit rapport leek nu te zijn vergeten: een vooropleiding zou niet meer nodig zijn omdat je nu danslessen op de middelbare school kreeg. Gelukkig dachten de Hbo-opleidingen er anders over.

De verschuiving van mavo- naar havo-niveau was aanvankelijk in financieel opzicht een gunstige ontwikkeling: de overheidssubsidie gold ook de vooropleiding. Dat veranderde in 2002: de vooropleidingstudenten werden niet meegeteld bij het bepalen van de subsidie. Met andere woorden, de overheid nam geen verantwoordelijkheid meer voor de vooropleiding. De Hbo-instellingen namen die over – het bijdragen aan de ontwikkeling van jong talent is in het belang van de opleiding en het vak – en stelden eigen middelen ter beschikking om dat te realiseren.

Er zijn in Nederland inmiddels … dansopleidingen. Sinds 2006 worden er ook dansopleidingen op Mbo-niveau aangeboden, die los staan van de Hbo-opleidingen. Als gezegd: Nederland is inmiddels internationaal een voorbeeld en de variëteit in dansvormen is groot. Er wordt langzamerhand ook ingespeeld op trends als hiphop, en er is samenwerking tussen kunstvakopleidingen en middelbare scholen.

Meer over vooropleiding – eerst even komen huilen
Momenteel werkt bijvoorbeeld Codarts nauw samen met het Bonnefantencollege in Maastricht, mogelijk gemaakt door de zogenaamde ‘DaMu-regeling’ vanuit het Ministerie van OCW. Die staat een aantal hiervoor geselecteerde scholen toe om ‘voortrajecten dans/muziek’ (DaMu) aan te bieden en maakt vrijstelling van vakken in de onderbouw, de tweede fase en de vaststelling van het examenprogramma/het diploma mogelijk. Deze voortrajecten dans/muziek worden dan wel weer vaak door de hogescholen verzorgd om zo talentvolle leerlingen verder te ontwikkelen in hun kunstdiscipline en hen voor te bereiden op het hoger onderwijs. Het is een soort variant op gespreide vooropleiding.  Aanleiding hiervoor is dat in Nederland de traditie is dat de kinderen dichtbij het eigen huis willen blijven in deze fase van hun leven. Ciska van Dijk: “Ik heb vaak meegemaakt dat kinderen van 11 die vanuit Limburg naar Rotterdam moesten voor de vooropleiding ’s ochtends voor ze begonnen eerst even moesten komen huilen.” In bijvoorbeeld Engeland is het bewustzijn over de eer om aangenomen te worden op een balletschool zo groot dat het vanzelfsprekend is om op jonge leeftijd voor zoiets als een vooropleiding uit huis te gaan. De samenwerking Codarts / Bonnefanten is heel succesvol, maar bijvoorbeeld in  Middelburg was is er geen animo. Met name de amateurscholen verzetten zich en willen het talent graag voor zichzelf houden – zowel in verband met het imago als financiële redenen).

Kern van vooropleiding
Als gezegd: het fundament voor het uitbouwen van talent wordt gelegd op jonge leeftijd. Het is van belang en ook de verantwoordelijkheid van begeleiders (ouders, docenten, etc.) om de leerling te begeleiden en zowel fysiek als mentaal te ondersteunen. Stem het programma af op de groeispurt(en), maar ontwikkel ook de mondigheid van de leerlingen, zodat ze aangeven wanneer er iets niet goed gaat of wanneer ze toe zijn aan een volgende stap. Daarmee voorkom je blessures.

En dan nu het circus
Kijkend naar de ervaring van de dans vat Jan van den Berg, moderator van de bijeenkomst, als volgt samen: het jeugdcircus heeft op de dans voor dat er al een landelijke organisatie is. De ontwikkelingen in de danswereld laten zien dat versnippering op de loer ligt als je op meerdere plaatsen aanbod wil verzorgen. Daardoor is soms niet helder wat waar gebeurt. Er moet aandacht zijn voor de aansluiting tussen de amateurorganisaties en de vooropleiding, en bij de amateurorganisaties moet bereidheid zijn om iets extra’s te doen voor de talenten zonder het eigen belang te laten spelen. De arbeidstoekomst moet betrokken worden bij het aanbod voor talenten; enerzijds wil je breed beginnen met een talentenklas, anderzijds moet je kwaliteit altijd laten prevaleren en geen valse verwachtingen wekken.

In de sportwereld zijn iconen voor de jonge talenten zichtbaar, er bestaat zelfs een heel systeem van ambassadeurs en ‘buddies’.

Gezamenlijke aanpak

In de discussies die volgen komt een aantal gemeenschappelijke belangen naar voren:
–       het in gang zetten van directe, goedlopende communicatie tussen opleidingen en jeugdcircussen verbeteren
–       kennisoverdracht van de opleidingen naar de jeugdcircussen op het gebied van training, gezondheid en veiligheid
–       samenwerking tussen opleidingen en jeugdcircussen bij het bereiken en begeleiden van jong talent

Opleidingen en jeugdcircussen spreken de intentie uit hieraan in gezamenlijkheid aan te werken, Circomundo kan hierin ondersteunen. Codarts en ACAPA spreken uit dat ze het als hun taak zien om bij te dragen aan talentontwikkeling.

Een voorstel dat instemming krijgt is het organiseren van een regionale opzet waarbij leerlingen van jeugdcircussen kennismaken met (docenten en studenten van) de Hbo-opleidingen. Hier kunnen ook leerlingen van turnverenigingen etc. aan deelnemen.

Festivals (Circustheaterdagen Schiermonnikoog, CircoCircolo Liempde, Rotterdam Circusstad festival) zijn bereid mee te werken: zij kunnen een ontmoetingsplek en inspiratiebron zijn.

De bijeenkomst wordt afgesloten met de afspraak een pilot op te zetten voor een training van jeugdcircustrainers en –deelnemers met docenten en studenten van de Hbo-opleidingen.

Amsterdam, mei 2011

 

Naschrift: in januari 2012 wordt deze pilot uitgevoerd, locatie Hogeschool Windesheim in Zwolle.


In 1966 werd dit de ULO voor Ballet en Muziek. Drie jaar later is de school omgevormd tot Mavo voor Ballet en Muziek i.v.m. de Wet tot regeling van het voortgezet onderwijs. Door de nieuwe wetgeving werden de MULO, MMS en HBS afgeschaft en vervangen door de mavo, havo en vwo. De grondgedachte achter deze wet was dat elke leerling zowel een algemene als een beroepsopleiding zou moeten volgen.

 

Plaats een reactie